Voorrondes Axis Gitaar Concours Cat. 1
Het concours van het Twents Gitaarfestival heeft dit jaar een andere naam, het Axis Gitaar Concours. Dit wordt dus de eerste editie.
De indeling is nog steeds in drie categorieen, een voor de profi’s, eentje voor de jonge amateurs tot 15 jaar en eentje voor amateurs ouder dan 15 jaar.
Het Axis Gitaar Concours Cat. 1 heeft voorrondes waaruit vijf finalisten komen die om de eerste plaats gaan strijden.
Dit jaar waren de voorrondes op de eerste dag al. Ik vond dat wel een goed idee, alhoewel degenen die ver moeten reizen daar misschien anders over denken. Uit de mededelingen vooraf bleek dat de regels waren aangescherpt. Muziek op tijd inleveren bij de jury en Masterclasses volgen was het parool. Anders dreigde diskwalificatie.
Ook dit jaar vonden de voorrondes plaats in de balletzaal, in de volksmond ook wel spiegelzaal geheten. Je kunt door te talloze spiegels aan de wand iedereen, spelers, publiek en jury zo van alle kanten bekijken. Wel vervelend, want je zit zo mensen onwillekeurig recht aan te kijken. Gordijnen er voor hangen was echter geen optie, want dat dempte het geluid te veel. Dus moesten we het met het extra uitzicht doen.
Uiteindelijk betraden 19 kandidaten het strijdperk. Ik zag in de lijst een aantal spelers van vorig jaar en een regiment nieuwe namen. Wat direct opviel was dat het aantal dames minimaal was, slechts een.
Zij presenteerden hun vaardigheid voor een stevige jury. Onder voorzitterschap van Matijs de Roo namen Jacqueline Snel, Celia Preuschoff, Izhar Elias, Ed Westerik, Gerard Kroeze (allen gitaristen) en Annette Kruisbrink (gitariste/componiste) plaats.
Ivan Petricevic, een van de finalisten van vorig jaar, beet de spits af. Hij bracht de Hommage a F. Mompou van Dusan Bogdanovic met een mooi gebonden melodie en een ingetogen sfeer voor het voetlicht. Precies de sfeer van een groot aantal van de pianowerken van Federico Mompou zelf.
Met Caprice Nr. 7 van Luigi Legnani was het gedaan met de rust. Petricevic speelde het zo virtuoos dat ik de muzikale lijn niet meer kon volgen. Het is natuurlijk de vraag of muzikaal overzicht de bedoeling was, want de 19e eeuwse componisten waren lang niet altijd wars van een beetje show.
Het Allegro uit de Sonata Giocosa van Joaquin Rodrigo werd zijn derde stuk. De klank verraste me, de gebruikelijke scherpe Rodrigo harmonieen bleven hier sterk op de achtergrond. Petricevic speelde het meeslepend vrolijk en gaf het stuk een feestelijk volks karakter.
Michael Vihula loste Ivan Petricevic af met twee stukken, een Bolero uit de Grand Serenade van Napoleon Coste en een Prelude in E klein van Nikita Koshkin.
De Bolero moest een beetje op gang komen, Vihula speelde het stuk heel virtuoos maar kon soms niet helemaal bij het dansante blijven. Nu valt dat ook niet mee in deze compositie waar een paar uitgestrekte snelle toonladderpassages in voorkomen. Prelude in E klein werd een juweeltje dat in omfloerste en geheimzinnige klanken van vraag en antwoord startte en uiteindelijk uitmondde in een heftige finale in triolen en een uitsterven naar stilte. Dit was verreweg Vihula’s beste stuk.
De derde kandidaat -Dmitry Rodichev- speelde een paar delen uit de suite Light Frameworks van de gitarist/componist Nicola Japelli. Het Moderatamente was een arpeggiostuk met spannende wendingen. Vivace e ritmico deed me met al zijn drukte een beetje denken aan een nummer van de popgroep Yes uit de zeventiger jaren.
Kandidaat vier werd Marcus Strand die met een heel apart model gitaar naar voren kwam. Het was een tiensnarige gitaar volgens mij. Zijn stuk werd Johann Sebastian Bach’s Prelude in E uit BWV1006a, de vierde luitsuite.
Hij startte dit lastige werk overtuigend met een goed gevoel voor frase en adem. Ik vond het geluid van de gitaar spectaculair, het leek alsof de klanken ruimte kregen, bijna een beetje nagalm.
Jammer genoeg sloeg toch het nootlot toe, Bach werd alweer een killer. Toch pakte hij het stuk na een tijdje zoeken zonder verdere haast op, terwijl je dat bij enige paniek wel verwachten zou.
Albert Pia Comella nam het stokje over. Elogio de la Danza van Leo Brouwer werd zijn gooi naar de finale. Hij ademde zijn muziek hartstochtelijk mee en wist vooral in de passages met rusten binnen het Lento spanning in de uitvoering te brengen. Jammer genoeg werd het snellere Ostinato een beetje stroperig. Het bleek een uitdaging om de losse passages tot een geheel te smeden.
Omstreeks deze tijd werden we voor de verandering opgeschrikt door de ultieme bereikbaarheidsdwang van de huidige tijd. Een mobieltje ging af. De andere kant nam echter geen genoegen met de redelijk snelle afweerreactie van de betrokkene, een SMS beltoon verbrak de stilte. En toen daar niet binnen enkele minuten reactie op kwam belde de andere kant nogmaals. Wie weet was het dringend, maar in ieder geval was het hinderlijk. Het komt nog eens tot een mobieltjesverbod bij concerten! (inleveren bij de zaal..)
Biplaw Singh komt uit India. Hij bracht een compositie van Nikita Koshkin, de Usher Waltz. Gezien de atmosfeer is dit stuk muziek inderdaad gebaseerd op een verhaal van Edgar Allan Poe, The Fall of the House of Usher. Zo te horen was het een heel lastige compositie, zeker in het bijna cynische walsgedeelte. Jammer genoeg kwam de dynamiek er wat minder uit, totdat in het stuk het House Usher uiteindelijk instortte en ten onder ging.
Toshiuki Kumagai komt uit Japan, maar studeert in Wenen, wat uiteraard enorm scheelt op de reis. Hij begon met een oude bekende van me -Ricercare 57 La Compagna van Francesco da Milano. Een capo op de derde fret zorgde voor een luit-achtige klank. Hij speelde de driestemmige textuur van het stuk met een heel eigen interpretatie van accelerando en decellerando.
Zijn tweede stuk werd Preludio Epigramatico Nr. 4 van Leo Brouwer. Dit korte bijna etude achtige stuk vormde een prettig contrast met Da Milano. Ook hier een meer traditionele dan moderne Brouwer.
Het was tijd voor de enige vrouwelijke kandidate, Geneviève Lannoy. Zij kwam als eerste voor de dag met Alcazar de Segovia uit de suite Castillos de Espana van Federico Moreno-Torroba. Lannoy bracht het stuk met een warme toon, maar ik kon soms de samenhang tussen de fragmenten niet helemaal volgen.
Ze sloot haar bijdrage af met twee Caprices van Luigi Legnani. Nr. 7 hadden we vandaag al eerder gehoord, Nr. 2 herinnerde ik me nog uit het boek The Classical Guitar van Frederic Noad. Twee virtuoze stukjes, waarbij je het gevaar loopt dat snelheid ten koste gaat van nauwkeurigheid. En dat gebeurde hier enigzins.
Bert Maggen speelde Sevilla uit Suite Espanola van Isaac Albeniz. Hij zette het snelle delen enthousiast in en zorgde daarna met het langzame deel voor een oase van rust in deze drukke Spaanse stad. Ik vond zijn spel potentie hebben.
Het podium was aan Naoki Ikuta met twee delen -Evocation en Dance- uit de suite Whirler of the Dance van Carlos Rafael Rivera. Ik vraag me na wat onderzoek wel af waarmee die Evocacion overeenkomt, want de titel komt in het stuk niet voor.
De dans is een volgorde van stuwende ritmepatronen met zeer eigentijdse harmonie. Het stuk zelf sprak me qua compositie niet zo aan, maar het werd me wel duidelijk dat de gitarist de dans in de vingers had.
Ondrej Pavlicek ging de uitdaging aan met de Passacaglia uit Tres Piezas Espanolas van Joaquin Rodrigo. Dit stuk begint met een eenstemmig thema in de bas en het is de bedoeling dat dit ondanks alle harmonische en ritmische capriolen gedurende het hele stuk duidelijk hoorbaar blijft. Wel dat lukte hem!
David Margolis ging weer een stukje terug in de tijd met Prelude en Gigue van Partita Nr. 3 BWV1006 van Johann Sebastian Bach. Een uitdaging om de snelle delen te nemen! Margolis had een eigenzinnige maar wel licht gehaaste interpretatie.
Ruben Bettencourt speelde hedendaags met het deel Snowdrop uit de suite 3 Forest Paintings van Konstantin Vassiliev. Hij bracht het expressief in zowel spel als bewegingen.
Hij sloot zijn onderdeel af met een stukje gitaaratletiek: Etude 12 van Heitor Villa Lobos. Een virtuoos stuk muziek waar je volgens mij lang op moet studeren.
Michal Staniowski wijdde zich aan een van de meest gespeelde gitaarcomponisten, Leo Brouwer dus. Hij bracht de Hika ‘In Memoriam Toru Takemitsu’. Een opmerkelijk stuk waarin in een aantal passages het beeld van verstilde Japanse landschappen in pentekening op rijstpapier direct bovenkomt.
Staniowski bracht het met een goede balans tussen rust, spanning en virtuositeit.
Marcus de Jong had besloten om de Bagatelle 1 van William Walton te spelen. Wel in dit geval werd mijn luisterplezier door de compositie an sich een beetje verijdeld. Wat een warrig stuk! Wel, dat ligt aan mij, mijn denkraam zal het wel niet bevatten. De Jong deed zijn best om de compositie goed te brengen, maar ik schakelde gewoon af.
Jona Kesteleyn was een van de kandidaten van vorig jaar. Hij zette muziek van een tijdgenoot van William Walton neer, Lento en Rondo uit Sonatina for Guitar van Lennox Berkeley.
Ik moest toegeven dat ik weliswaar in iets mindere mate dan bij Walton het gevoel kreeg dat ik geen hout van de muziek snapte. Dat nam niet weg dat Kesteleyn het met een goede afwerking ten gehore bracht.
Jean Francois Macq interpreteerde twee delen van de Suite en La van Manuel Ponce, een stuk waarvan men lang dacht dat het een nieuw ontdekt werk van Leopold Sylvius Weiss was. Prelude en Allemande passeerden de revue, beiden helder en netjes afgewerkt gespeeld.
De Sonata van Antonio Jose hadden we deze competitie totnogtoe niet gehoord. Hartmut Menning Mentz bracht hier verandering in, hij speelde het eerste deel Allegro Moderato. Hij speelde de muziek mooi sonoor en gaf duidelijk de structuur aan, iets wat in een lang deel zoals dit voor de luisteraar absoluut noodzakelijk is.
Fabian Freesen, een bekende van twee festivals terug, sloot het programma af. Zijn bijdrage leek qua structuur heel erg op die van Ruben Bettencourt, allebei een deel uit dezelfde suite van Vassiliev en allebei een Etude van Villa Lobos.
Dance of the Forest Ghosts van Vassiliev werd een duizelingwekkende uitvoering met al die snelle loopjes. Twee snelle hoekdelen omsloten een rustige passage waarmee je als luisteraar wat kon uitblazen. Netjes gespeeld met hier en daar wat verfrissend risico.
De Etude 7 van Villa Lobos bracht razendsnelle loopjes met als contrast lastige arpeggio passages waar je de melodie er goed bovenuit moet tillen. Freesen bracht het contrast in het stuk, maar waakte ervoor de loopjes gevaarlijk te laten worden.
Dat was een lange zit (het was inmiddels bijna half zes). Geen stopwatchdiskwalificaties deze keer, ook al heb ik het klokje eenmaal uit de zak zien komen.
De jury zou zich gaan beraden over de uitslag. Ik ging ondertussen met een beetje apart gevoel naar buiten.
Onwillekeurig vergelijk je gebeurtenissen als deze voorrondes met de jaren daarvoor. Ik weet niet waaraan het heeft gelegen, maar als ik daarbij aan het verleden denk, heb ik het gevoel dat dit jaar de uitvoeringen op een aantal uitzonderingen na veel voorzichtiger waren. Het leek soms alsof een aantal spelers zich soms iets inhielden bij de presentatie.
Hoe dat nu komt? Door het gevoel rond de crisis misschien (risico nemen blijkt gevaarlijk)? Of is het net zoals met de wijn, het ene jaar heeft meer rijping nodig dan het andere? Of zaten er de afgelopen jaren er een paar markante persoonlijkheden tussen (;-)) Ik moet even aan Sabrina Vlaskalic denken). Ik weet het niet, maar het viel me op.
;-) Het kan natuurlijk ook zijn, dat ik dit jaar gehoorschade heb opgelopen. Hoe dan ook, de finale zal het uitsluitsel geven.