The Fall of the Leafe

Vooraf…

Ergens in mijn stapel gitaarmuziek ligt een stuk uit de Renaissance, Fall of the Leafe van Martin Peerson (1571 – 1651), een van de zogenaamde Virginalisten. Ik zette het stuk ooit voor een vriendin die het graag op een concours wilde spelen. Een stuk met de melancholieke sfeer die in de tijd van Elizabeth I gangbaar was.

Peerson was een tijdgenoot van Shakespeare, dus toen ik het stuk bij wijze van oefening had opgenomen, leek het me leuk er een verhaal over te schrijven in herfstsfeer. En zo raak je verzeild in de geschiedenis van Londen eind zestiende, begin zeventiende eeuw en maak je kennis met het werk van Shakespeare, met name zijn Sonnet 73 dat gaat over de vergankelijkheid van de herfst en de kracht van vriendschap om herfsttij te overleven, juist omdat het leven vergankelijk is.

Voor de vertaling van Sonnet 73 (wat waarachtig niet eenvoudig is) en de update hiervan in zijn reactie op dit verhaal, gaat mijn dank uit naar C.W. Schoneveld, die al heel wat materiaal van Shakespeare in hedendaags Nederlands heeft vertaald.

Fall of the Leafe van Martin Peerson, gespeeld door Mark op klassieke gitaar

The Fall of the Leafe

(Sonnet 73)

“Waarom, Richard, waarom gebeurt mij dit?”

Met een nijdig gebaar mikt hij de ganzenveer op de tafel.

Richard haalt zijn schouders op en neemt een teug uit zijn roemer. Op de achtergrond nemen een paar toneelspelers van de troupe hun rollen door. Drama en passie schallen door de ruimte en kaatsen terug tegen de rijen lege stoelen op de gaanderijen van het theater The Globe. Een luitspeler vult de ruimte tussen de dialogen op met een melancholieke melodie, de tonen geven het herfstseizoen een stem.

William zucht: “Waar ben je, Muze, dat je zo lang vergeet / te spreken over datgeen waarin je jezelf zo machtig weet?”

Richard zet zijn roemer bruusk neer. Een straaltje wijn bloedt op het ruwe tafelblad en vloeit kleur aan de rand van Williams manuscript.

“Ik hoor alweer twee zinnen van een nieuw sonnet, William,” hij glimlacht, “die muze van jou is je genadiger dan je denkt.” Hij legt zijn hand op zijn hart: “De Muze verschijnt mij alleen als het me dodelijk slecht gaat of als ik straalbezopen ben. Maar ja, dan kan ik geen pen vasthouden. Daarom ben ik speler en vertolker en ben jij de schrijver van mijn rol.”

“Dank je voor je vertrouwen, mijn vriend, maar het publiek is ongeduldig. Ik schrijf al twee maanden aan dit stuk en al die tijd mis ik de bezieling. De Muze heeft me verlaten.”

“Ach, dat is gewoon het seizoen, William. De bladeren kleuren en vallen op de grond, de takken van de boom van inspiratie worden kaal. Toch zie je de knoppen voor de nieuwe loten al zitten. Wacht tot de lente komt, dan keert je Muze weer terug.”

“Dat gebeurt pas als de winter voorbij is. Zo lang kan ons publiek niet wachten.”

“Je zegt dat je Muze weg is. Bij mijn weten heb je er twee: Melpomene voor je tragediën en Thalia voor de komische noot. Hoe heb je ze in hemelsnaam allebei tegen je in het harnas weten te jagen?”

William strijkt verward door zijn haar: “Zeg het me. Ach, waren Muzen maar mannen, dan wist ik wel hoe ik er mee om moest gaan. Ik ben geen ster in het behagen van vrouwen.”

“Nou, volgens mij lukt je dat thuis best wel. Of heeft ze geklaagd dat je te lang in Londen zit en haar alleen met de kinderen laat zitten?”

“Nee, dat is het niet. Anne begrijpt me heel goed en anders maken we er ruzie over tot we het allebei snappen. En ze leeft er samen met de kinderen ook van, per slot, ze heeft haar weggetje best wel. Maar dat helpt me niet met Muzen. Als ik ze prikkel, trekken ze zich terug en sta ik zoals nu met lege handen naar een blanco blad te staren.”

“Vrouwen. Die zijn in onze troupe geen probleem,” grapt Richard, “daar spelen onze jongens voor vrouw. En zeg nou zelf, ze spelen jouw vrouwen perfect, of niet?”

William knikt: “Toch is het onnatuurlijk, ik heb in Venetië vrouwen zien schitteren op het toneel. Hier zitten de priesters overal bovenop. Als we met de Lord Chamberlain’s Men maar een beetje de grenzen van hun eerbaarheid naderen, zitten we in de stront. Die zwartrokken zouden het liefst alle theaters sluiten, dat weet jij ook. Dan sta jij ook niet meer als The Great Richard Burbage op de posters. Het is maar goed dat die lui van Londen hier aan de andere kant van de Theems niks te vertellen hebben”

Richard draait de roemer in zijn hand: “Kan zijn. Alsof de Bisschop van Winchester zo’n gemakkelijk heerschap is. Gelukkig lust iedere zwartrok wel een glaasje,” hij knipoogt, “zo hou ik ze op afstand en kun jij overtuigende vrouwenrollen schrijven waar het publiek gek op is. Misschien behaag je de Muze dan niet, maar je begrijpt haar slag absoluut.”

“Ondertussen zit ik nog steeds met een leeg blad,” hij bestudeert aandachtig de rand, “met wijnvlekken.”

“Een goed begin, mijn vriend, In Vino Veritas. Maak je geen zorgen, ik zet gewoon Liefdes List en Leed weer op het programma, dat vreet ieder publiek voor zoete koek. Kom op, we gaan een eindje wandelen,” hij slaat een blik op de binnenplaats van het theater, straaltjes water kletteren van het rieten dak naar beneden, “perfect herfstweer voor Londen.”

Ze lopen richting de London Bridge door de modderige straten van Southwark. Het waait stevig en de bladeren van de bomen en struiken fladderen over het plaveisel bij de kathedraal van St. Mary Over de Rivier. Voorbijgangers haasten zich voort, op weg naar een dak boven het hoofd in kroegen, bordelen of een theater waar je voor een paar pennies droog kunt staan. Verderop klotst de Theems zwaar tegen de Bankside, de wind drijft de korte golfslag aan en verwaait klodders schuim op het woelende water.

Een windstoot laat hun haren wapperen, William veegt een verwaaide lok uit zijn gezicht: “Het jaar wordt grijs, maar voor mij, mijn waarde vriend, word jij nooit oud!”

Richard geeft William een speelse por: “Je begint alweer een Sonnet, je Muze glimlacht opnieuw.”

Ze passeren een hoek van een huis, de wind valt even stil. Een grote hoop bladeren glimt vochtig in rood, goudgeel en bruin. William wijst.

“Toch stemt dit seizoen me tot nadenken,” hij grijpt een paar bladeren, houdt ze voor zich en declameert. Een paar voorbijgangers staan stil om te luisteren.

Dat jaargetij in mij doemt op voor jou,
Waarin geel blad, of geen, of schaars, hangt aan
Die takkenbogen schuddend in de kou:
‘t Ontmanteld koor, van vogelklank ontdaan.

In mij zie jij het schemerlicht dat wacht
Totdat de zon in ‘t westen is geblust,
En traag verdrongen door de zwarte nacht,
De schim des doods die alles smoort in rust.

In mij zie je het smeulend vuur, gesticht
In de hete oven van zijn jonge gloed,
Het doodsbed, waar het nog te doven ligt,
Verteerd door dat waarmee het werd gevoed.

Dit neem jij waar, wat sterk je aandrang voedt
Innig te minnen wat j’ eens missen moet.

William zwijgt, de wind en het stadsgeruis nemen het toneel weer over. Verderop vloekt een wagendrijver. De aanwezigen applaudisseren en vervolgen hun weg.

“Ja, het leven is kort, voor vrienden en vijanden, voor liefhebbers en haters, voor mensen in het algemeen,” mijmert Richard.

“Reden temeer om van iedere dag vriendschap te genieten alsof het de laatste is. Dat stuk komt er, Richard, voor de lente sta je weer als ster op de planken.”

“Zelfs als je Muze er vandoor gaat, dicht jij nog,” lacht Richard, “ik zie een geweldige première voor me in dit voorjaar.”

“Denk je?”

“Daar drinken we op. De kroeg bij de brug! Twee roemers en een partijtje armworstelen.”

William trekt een frons, dan klaart zijn gezicht op: “As you like it!”

4 gedachten over “The Fall of the Leafe”

  1. Cornelis W. Schoneveld

    Beste Mark,

    Bij toeval kwam ik deze blog tegen met het mooi gespeelde gitaarstuk “Th e fall of the leafe” van Martin Peerson en zag toen mijn vertaling van Shakespeare’s sonnet 73, die ik ooit op internet had gezet. Op mijn computer had ik nog twee andere versies ervan, en was met geen van drie nu geheel tevreden. Het resultaat in daarom nummer 4, die gaat als volgt:

    Shakespeare Sonnet 73

    Dat jaargetij in mij doemt op voor jou,
    Waarin geel blad, of geen, of schaars, hangt aan
    Die takkenbogen schuddend in de kou:
    ’t Ontmanteld koor, van vogelklank ontdaan.

    In mij zie jij het schemerlicht dat wacht
    Totdat de zon in ’t westen is geblust,
    En traag verdrongen door de zwarte nacht,
    De schim des doods die alles smoort in rust.

    In mij zie je het smeulend vuur, gesticht
    In de hete oven van zijn jonge gloed,
    Het doodsbed, waar het nog te doven ligt,
    Verteerd door dat waarmee het werd gevoed.

    Dit neem jij waar, wat sterk je aandrang voedt
    Innig te minnen wat j’ eens missen moet.

    Vertaling: Cornelis W. Schoneveld (dec. 2019)

    1. Beste Cornelis,

      Wat een leuk toeval! Ik wilde een “herfstverhaal” schrijven op het gitaarstuk, en kwam zo op het idee iets van Shakespeare te zoeken dat daarbij paste. 😉 Zo is hij, en ook zijn vriend Richard, in het verhaal gerold.
      Ik ben het met je eens dat de versie die je hierboven citeert meer kracht heeft en ook het raadsel van de tweeling des doods oplost.
      Ik zal als je het goed vindt deze versie graag citeren.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

Scroll naar boven